Jan David Hanrath: ‘Bibliotheken zeggen altijd dat informatie zo’n belangrijke pijler is, maar als je op één gebied last hebt van concurrentie van digitale media, dan is het wel op het gebied van informatie. Als ik thuis achter mijn computer een zoekterm in kan tikken en met één druk op de knop een antwoord heb, dan ben ik geholpen. Dan hoeft het nog niet eens waar te zijn. Veel bibliotheken roepen dat betrouwbaarheid zo’n belangrijke waarde is. Maar als klant zit ik helemaal niet te wachten op betrouwbare antwoorden. Ik wil een antwoord waar ik op dit moment mee verder kan. En of dat antwoord nou klopt of gelogen is doet er niet zo veel toe. Op informatiegebied is de concurrentie met internet dus groot en die zal alleen maar toenemen. Maar op het gebied van rust en ontspanning blijft de bibliotheek een heel stevig anker houden. Als ik mijn huis wil ontvluchten om rustig te studeren, is de bibliotheek nog altijd het aangewezen oord om naartoe te gaan.
Het gebruik van de bibliotheek wordt dus anders. Traditioneel kom je bij een bibliotheek binnen, je pakt een boek en bent weer weg. Je moet vooral niet te lang blijven – dat was een beetje het adagium in de jaren ‘80. Tegenwoordig is het steeds meer zo dat je een hele dag in de bibliotheek blijft. Dat stelt eisen aan de faciliteiten. Je hebt goed meubilair nodig, goede horeca. Je moet goede koffie kunnen schenken. Geen laffe bakjes automatenkoffie. Als je nu nog in je speerpunten voor een nieuw gebouw schrijft dat er een koffieautomaat moet komen, dan heb je het echt niet begrepen. Je moet op het niveau van een espressobar gaan denken. Zo’n kopje hoeft dan geen vijftig cent meer te kosten, daar mag je best horecaprijzen voor rekenen. Dan heb je als bibliotheek met al je boeken, tijdschriften en kranten bovendien een stapje voor op horecagelegenheden, waar meestal slechts een enkele krant en een oude leesmap ligt.
Dankzij de digitalisering krijg je ruimte. Je ziet de non-fictiecollecties krimpen. Waardoor je nieuwe dingen kunt doen met de vrijgekomen ruimte. Zoals inderdaad een espressobar. Maar ook qua collectie biedt die ruimte allerlei mogelijkheden. Je kunt boeken thematisch in eilandjes uitstallen, zodat ze niet zo saai rug aan rug staan. Als het aantal boeken minder wordt, kan de wijze van presenteren van de resterende boeken interessanter worden. Natuurlijk, een bibliotheek zonder collectie is een buurthuis, dan ben je het kenmerk van de bibliotheek kwijt. Maar op het moment dat de collectie krimpt kun je binnen de bestaande setting ruimte creëren voor andere belangrijke zaken.’
‘Je moet die ruimte ook wel echt nemen. Ik ben een groot voorstander van overmaat. Wanneer je een bibliotheek bouwt met de eisen van nu, de vierkante meters van nu en met het oog van een projectontwikkelaar die denkt in termen van efficiency en verhuurbaarheid als winkelruimte, dan zul je merken dat de duurzaamheid van het gebouw uiteindelijk te wensen overlaat. Met een gebouw dat groots is neergezet, waar veel meer lucht in zit, kun je veel meer. Je moet niet kiezen voor de goedkoopste ondergrens, want dat beperkt je in je mogelijkheden. Dat is een armoegedachte.
Oude gebouwen zijn daarom vaak zo goed bruikbaar in allerlei functies. Neem nu kloosters. Daar zit een overmaat in, waardoor ze nog steeds bruikbaar zijn voor allerlei doeleinden als de kloosterlingen allang vertrokken zijn. Zoals het voormalige Kruisherenklooster in Maastricht, waar nu op schitterende wijze een hotel en restaurant van gemaakt is. Dat is briljant. Van die gebouwen zoals ze in de jaren ‘70 en ‘80 bouwden, met plafonds op 2,40 meter hoogte, daar kun je niets mee.
Het klooster is sowieso een goede metafoor voor hoe de bibliotheek kan reageren op de tijdsgeest. We krijgen het drukker en drukker. Alles schreeuwt om ons heen. Steeds meer krijg je een Las Vegas-gevoel als je door de stad heen loopt. Als je dat binnen de stad zelf wilt ontvluchten, heb je een openbare plek nodig waar je tot rust kunt komen, waar je inspiratie op kunt doen. Zonder dat daar een religieuze kant aan zit, juist niet. Een urbaan park, waar je geïnspireerd kunt raken door materialen, door boeken. Dat vraagt om een gebouw met statuur. Het is een misvatting om te denken dat dat drempelverhogend werkt. Dat hoeft niet. Met overmaat kun je toch een plek creëren waar je je prettig voelt, waar je tot rust kunt komen en waar je even los bent van de drukte om je heen. Dat geldt niet alleen voor een centrale bibliotheek in een grote stad. Ook in wijkfilialen en dorpsbibliotheken kan overmaat betekenis hebben. Door een grootse opzet, ook al is dat in een cluster met andere voorzieningen, krijg je een bibliotheek waar de wijkbewoners trots op zijn, die ook uitstraling heeft op die wijk. “Kijk, dat gebouw staat toch maar mooi in mijn wijk.” Dat gevoel.’
‘Financiën vormen de grootste bedreiging voor die overmaat. Directeuren kiezen bij gebrek aan middelen liever voor een budgetbibliotheek met zoveel mogelijk boeken per vierkante meter, dan voor een overmaatse bibliotheek. Wat je ook vaak ziet is dat er een mooi gebouw wordt neergezet, maar dat de inrichting als sluitpost wordt gezien. Voor mijn gevoel is er geen onderscheid tussen architectuur en inrichting. Als je die twee zaken uit elkaar trekt en de inrichting verwaarloost, verzand je in een soort algemene generieke oplossingen die niet echt bijzonder zijn. Doodzonde. Als gebouw en inrichting samenhangen, kun je echt iets moois maken. Bij alle grote architectonisch iconen, bibliotheken en andere gebouwen, zie je dat ook.
Een gebouw en de inrichting zijn meer dan aankleding, meer dan decorbouw. Als je er echt op inzet kun je iets bijzonders neerzetten, wat ook weer nieuwe functies kan genereren. Veel nieuwe gebouwen zijn niet meer ontworpen om lang mee te gaan. Toch zou mijn pleidooi zijn om een bibliotheek te maken die misschien wel vijftig jaar meegaat. Dan kun je je afzetten tegen de snel veranderende retailcultuur. Ik loop daar voortdurend tegenaan. Tegenwoordig is bijvoorbeeld alles van spaanplaat. Omdat dat niet zo lang houdt, komt daar een decortje tegenaan, vaak eigenlijk niet meer dan vies papier met een houtpatroontje erop. Ik zeg dan: kies nou echt hout. Accepteer de eigenschappen ervan, want hout werkt, het krimpt, het trekt krom, et cetera. Maar het geeft wel een meer duurzame uitstraling dan al dat spaanplaatmateriaal. Het geeft karakter. Maar als ik dat roep bij leveranciers kijken ze me toch een beetje schaapachtig aan, alsof ik van een andere planeet kom.
Maar met een karakteristiek gebouw zou een bibliotheek zich kunnen onderscheiden. Digitalisering maakt het bibliotheekgebouw minder belangrijk, wordt wel eens gezegd. Ik beweer dat het tegenovergestelde waar is. Vroeger kon je in een hok achteraf een batterij boeken neerzetten. Omdat dat de enige plek was waar je die informatie kon raadplegen kwamen de mensen vanzelf wel. Dat is niet meer zo. De ontmoetingsfunctie blijft belangrijk, terwijl de informatiefunctie slinkt. Juist daarom moet je veel aandacht besteden aan het gebouw. Als mensen niet meer om de boeken komen, moet er een andere reden zijn om te komen. Ik hoop dat we over tien jaar nog steeds aan de jeugd kunnen uitleggen waarom dat gebouw er staat.’
Jan David Hanrath (1972) is zelfstandig architect, gespecialiseerd in bibliotheekbouw. Eerder was hij ICT-medewerker bij de Openbare Bibliotheek Den Haag en senior consultant bij ICT Expertisecentrum Laurens, waar hij onder meer projectmanager was bij Bibliotheek.nl.